‘Ons land met Engeland in een oorlog gewikkeld. Door de onze geweerd met verraad en bedrog’, noteert Johan Hendrik Gallée aan het einde van de achttiende eeuw uit Vorden in een klein notitieboek. Gallée, die later onder meer secretaris, notaris en burgemeester van Vorden zou worden, legde in korte aantekeningen vast hoe onrust, oorlog en politieke veranderingen het dorp bereikten.
Bijna 245 jaar later heeft Ben Wullink uit Lochem dat oude handschrift opnieuw leesbaar gemaakt. “Het zijn momentopnames van iemand die het zelf meemaakte”, vertelt hij. Dankzij zijn werk komt een bijzondere historische bron opnieuw tot leven, met beschrijvingen van angst en onrust in Vorden in de roerige jaren rond het ontstaan van de Bataafse Republiek.
In die periode verkeerde Nederland in een onzekere tijd. De oude Republiek stond onder druk, de spanningen tussen patriotten en orangisten liepen op en vanuit het buitenland raakte het land verwikkeld in oorlogen en machtsstrijd. Ook in de Achterhoek werd voelbaar dat het land op zijn grondvesten schudde. Die onrust mondde in 1795 uit in een omwenteling: de oude Republiek maakte plaats voor de Bataafse Republiek.
Juist die grote geschiedenis wordt in het notitieboek tastbaar op lokaal niveau. Gallée schrijft over politieke spanningen en de opmars van legers, maar vooral over wat dat betekende voor het dagelijks leven in Vorden. Zijn aantekeningen worden gaandeweg concreter. Waar hij aanvankelijk vooral de bredere onrust schetst, is vanaf 1794 te zien hoe de oorlog de streek daadwerkelijk bereikt.
Zo noteert hij op 27 sptember 1794: ‘hier een wagt opgerigt 3 snagt van 11 tot om 4 uren, ieder uur roepen het gehele dorp door’. Een paar weken later neemt de spanning verder toe. ‘Een ieder verbergt zijn goederen op geheime plaatsen’, schrijft hij op 22 oktober, wanneer in de verte zwaar kanonvuur te horen is.
Uit het notitieboek blijkt dat niet alleen Franse troepen voor spanning zorgen. Ook Engelse, Hannoverse en andere geallieerde militairen trekken door de streek of worden ingekwartierd in Vorden. Dat leidt tot overlast en angst onder inwoners. Gallée spaart hen niet in zijn beschrijvingen. ‘De Engelschen maken het overal schandelijk, vooral in de Betuwe’, schrijft hij. Zelfs: ‘Er word meer voor gevreest als voor de Franschen.’
In januari 1795 bereikt de onrust een hoogtepunt, wanneer grote groepen soldaten door Vorden trekken en huizen worden opgeëist voor inkwartiering. Gallée beschrijft hoe alles plotseling op scherp staat: ‘alles was in oproer in Dorp’. Even verderop noteert hij: ‘zo dat een ieder in schrik en vreese was’.